Op de middag voorafgaand aan de Koningsnacht, zondag 26 april dus, bevond ik me op een van de drukste kruispunten van Amsterdam. Zoals je dat soms overkomt, als bewoner – op de hoek van de Kinkerstraat en de Bilderdijkstraat
Er hing een nerveuze spanning in de lucht. het was voor een lazy Sunday afternoon ook erg druk. Veel jonge mensen op de stoep, veel terraszitters en vooral heel veel fietsers. Daar staat het kruispunt om bekend – de fietsfile tijdens de spits – maar dit was een zondagmiddagfile. Golven in oranje kleding gestoken jongeren fietsten voorbij, op weg de stad in. Op weg naar de pre-Koningsnacht, die weer de pre-Koningsdag viering is, met livebandjes in kroegen en veel bier. 36 uur feest, in het openbaar.
Zou de avond succesvol worden? Zou zij komen? Zou hij er zijn, zoals hij half beloofd had? Was het afgesproken ontmoetingspunt wel cool, was een ander café niet populairder? De FOMO en testosteron zinderden over het kruispunt.
Dit was nog slechts de zondagmiddag. De zondagavond en maandag moesten nog aanbreken, met de vrijmarkt, althans in Amsterdam, de bergen vol spul dat niemand zelfs gratis van straat zou willen oprapen, de Nederlandstalige muziek uit duizend speakers, de geur van halfgare sateetjes vanaf de straatbarbecue.
Koningsdag is de dag waarop de Nederlander zijn oerstaat het dichtst nadert, van licht benevelde koopjesjager. Het is de dag waarop alle verschillen wegvallen, tenminste voor wie zich eraan overgeeft, of juist niet. Sommige Amsterdammers en Utrechtenaren en Hagenezen ontvluchten hun stad. Anderen trekken zich terug achter dichtgetrokken gordijnen. Iedereen heeft zijn eigen oerhouding ontwikkeld en zoekt zijn medestanders. Dat er ook nog iemand jarig is, vandaag, ach… wie kan het schelen? Het hoort erbij, het entertainment dat het uitstapje van de familie verschaft. Dieper dan ‘Wat voor een jas had ze aan?’ gaat het niet, maar dit is ook precies de bedoeling.

Dat we deze vrije dag te danken hebben aan de Oranjes, speelt op een diep niveau echter nog wel een rol. Zonder onze Vorst op de troon, vieren we zijn verjaardag niet, en kunnen we ons niet overgeven aan onze nationale hobby’s. Oude schoenen proberen te verkopen en die na een in economisch opzicht teleurstellende ochtend op straat achterlaten. Of anderszins een grijpstuiver verdienen, of allemaal met een oranje shirt aan op een kampeerterrein staan en ons voor even één voelen.
Zolang we alle betekenissen van die dag niet kunnen benaderen op een andere datum, een datum zonder Oranje associatie, zolang kunnen we fluiten naar de republiek.

1 mei is het niet, omdat we nu eenmaal geen 1 mei traditie bezitten. Als enige land in
Europa zo ongeveer zijn we ook niet vrij op 1 mei. De weinige 1 mei vieringen die er desondanks voorkomen, zijn sombere en sobere herdenkingen van een ooit bloeiende sociaaldemocratische toekomst. 1 mei is de dag voor overpeinzingen over heel serieuze kwesties, waar we bij stil moeten staan, als arbeidsmigratie en de rechten van gemaltraiteerde arbeidskrachten. Daar ben ik voorstander van, maar het kan de opwinding die aan de voormiddag van 27 april bezit van ons neemt niet vervangen.

5 mei zou kunnen, maar 5 mei wordt voorafgegaan door 4 mei. Die vooravond van, met een voormiddag voorafgaand aan de vooravond, die dag is belegd met een andere betekenis. En die andere betekenis laat zich niet zomaar vervangen door een moment van hedonistische lichtheid.

Misschien kunnen we over pakweg 25 jaar, als we een generatie verder zijn, Koningsdag uitfaseren en veel bier drinken op 5 mei, met een oranje feestneus op, of oranje clownsschoenen, of wat er tegen die tijd plotsklaps in de mode is. Maar nu nog niet.