De Oostenrijker Karl Kraus stierf 1936 als beroemd polemist en samen met de kunstschilder Fredie Beckmans die in 1956 is geboren en opgroeide in een nonnenklooster in Winterswijk hebben ze een stuk opgevoerd dat gaat over hoe populistische volksmenners de taal gebruiken om het volk te verdommen. Lees en huiver.

(Bij de lancering van webmagazine De Republikein donderdag 29 januari jl. bij Arti et Amicitiae te Amsterdam droeg Fredie Beckmans uit dit toneelstuk voor)

Portret van Karl Kraus door Fredie Beckmans, 2025

FREDIE BECKMANS

 

Proloog met typemachine

Tik tik tik.

Wenen 1910 of Rotterdam 1979 — wat maakt het uit.

De inkt druppelt, de waarheid glipt, de typist is een profeet met een kater.

Karl Kraus redigeert Die Fackel, Fredie Beckmans schildert een zelfportret in de spiegel van de taal.

Beiden vermoeden dat het alfabet samenwerkt met de staat.

 

Woorden marcheren in gelid, laarzen gepoetst met bijvoeglijke naamwoorden.

De krantenkop roept: HET VOLK SPREEKT!

Maar van wie zijn die klinkers? Kraus schreeuwt: ‘Geef de gestolen medeklinkers terug!’

Beckmans schildert de zin op een koolblad en eet het op — live op het podium.

 

(Applaus optioneel.)

 

  1. De populist als klankdichter

Populisme: een symfonie van slogans in C-majeur (voor menigte en megafoon).

Elke demagoog is een mislukte dichter — zijn rijmschema is wij / zij, puur / onzuiver.

Kraus hoorde de melodie en kokhalsde; Beckmans hoort haar en maakt er een fietsbellenorkest van.

 

‘De wil van het volk’, roept de minister.

‘De wiel van het volk’ zegt Beckmans, en draait het woord tot het rubber smelt.

Dat is taalkundig verzet: de zin ontsporen vóór hij het parlement bereikt.

 

Kraus’ satire is rechtszaalretoriek; Beckmans’ satire is marktlawaai.

De een annoteert; de ander overdrijft.

Samen voeren ze het duet van wantrouwen: elk zelfstandig naamwoord is schuldig tot het tegendeel is gespeeld. Kraus roept nog een keer ‘Denkend aan Hitler schiet mij niets te binnen’.

Daarna overschreeuwt hij zich: ‘Het geheim van de demagoog is dat hij zich even dom voordoet als zijn toehoorders, om ze te laten geloven dat ze net zo slim zijn als hij.’

 

  1. Grammatica als plaats delict

Kraus ontleedde de krant: kop, dubbele punt, lijk.

Hij geloofde in syntaxis zoals een priester in biecht.

Verkeerde komma’s waren morele misstappen; weglatingstekens, samenzweringen.

 

Beckmans breekt interpunctie als eieren.

Er vloeit gele betekenis uit — kleverig en anarchistisch.

Hij smeert het op de muur: ‘GELUK = GELUL.’

Nederlands woordgrapje, Weens oordeel.

 

In deze rechtbank van grammatica staat elke populist terecht wegens versimpeling.

Zin gereduceerd tot slogan; gedachte vervangen door ritme.

Kraus ondervraagt: ‘Definieer het volk!”

Stilte.

Beckmans lacht en houdt een spiegel op: ‘Ze lijken op jou, Karl.’

 

  1. De toorts en de fiets

Die Fackel — de toorts.

Maar in Nederlandse handen wordt het een fietslampje, knipperend in de mist.

Kraus wilde verlichten; Beckmans wil slingeren.

 

Hij fietst langs het parlement en roept:

 

‘In den beginne was het Woord —

In het midden was het Woordspel —

En aan het eind at het Woord zichzelf op.’

 

Het publiek lacht. Een agent noteert. Ergens hoest Kraus in Duits ongeloof.

Toch begrijpen ze elkaar: ernst heeft slapstick nodig om te overleven.

Anders wordt morele helderheid preekrook.

 

  1. Populisme eet zijn eigen grammatica

Populisme is een snackbar van ideeën.

Alles op het menu heet ‘voor het volk’, maar de friet is opgewarmde propaganda.

Kraus schrijft er een essay van twintig pagina’s over; Beckmans beeldhouwt een frietmonument van boter en laat het smelten.

 

In de populistische keuken:

– Waarheid gehakt met sentiment.

– Bewijs gefrituurd in anekdote.

– Taal opgediend met nationalistische ketchup.

 

Kraus leest de kaart en valt flauw.

Beckmans wekt hem met een woordgrap: ‘Honger naar eerlijkheid maakt goede worsten.’

Niemand begrijpt het, maar iedereen knikt. 

Dada wint.

 

  1. De ethiek van de woordspeling

Kraus’ woordspeling: chirurgisch, Duits, scherp als een dolk van een advocaat.

Beckmans’ woordspeling: rommelig, Nederlands, uitbundig als een haringkraam.

Toch snijden ze hetzelfde slachtoffer — het plechtige woord dat heilig wil zijn.

 

Kussen is democratiseren.

Het nodigt uit tot lachen waar eerbied stond.

Kraus strafte pompeusheid met citaten; Beckmans met overdrijving.

 

Toen Kraus zei: ‘De duivel is een optimist’, voegde Beckmans toe: ‘omdat hij de krant leest.’

Twee vormen van satire — analytisch en absurd — delen één hartslag: wantrouwen jegens taalkundige zuiverheid.

De woordspeling is onzuiverheid als wapen, volksetymologie met een glimlach.

 

  1. Dialectiek op klompen

Kraus liep door Wenen in zwart; Beckmans fietst door Amsterdam op verfbevlekte klompen.

Beiden schreeuwen tegen reclameborden.

Beiden zien democratie niet als stemmen, maar als redigeren.

 

Kraus geloofde dat alleen geoefende oren betekenis konden redden;

Beckmans gelooft dat iedereen creatief mag verhoren.

‘Laat het volk verkeerd spellen!’, roept hij. ‘Elke tikfout is een referendum!’

 

Populisme maakt alles vlak; Dada vermenigvuldigt het.

De populist schreeuwt ‘ÉÉN STEM!’

De Dadaïst antwoordt ‘RUISKOOR!’

Het verschil is harmonie vermomd als chaos.

 

  1. Oorlog der letters

In De Laatste Dagen der Mensheid documenteert Kraus de taalkundige Apocalyps.

Elke telegram bloedt ironie; elke zin is een doodsprentje.

Hij besluit: woorden stierven aan patriottisme.

 

Beckmans speelt het stuk opnieuw met groenten.

Wortelen als kolonels, uien als operettes.

Hij fluistert: ‘De kool ging ook naar het front.’

Lachen, dan schuld.

 

Hier ligt de brug: Dada erft Kraus’ wanhoop en vertaalt haar in dans.

Als betekenis sterft, blijft beweging over.

Woordspel wordt lichaams-spel.

Populisme kan ironie niet choreograferen — het struikelt over zijn eigen zekerheid.

 

  1. Voetnoot-performance

(Regieaanwijzing: Beckmans leest de volgende voetnoten voor terwijl hij met woordenboeken jongleert.)

 

‘Corruptie van de taal is corruptie van de wereld.’ Kraus zei dat. Hij sprak geen Nederlands.

 

Populisme klinkt beter in Vlaams; het schuimt anders aan de mond.

 

Het publiek mag nu het Oostenrijks volkslied achterstevoren neuriën.

 

Elke keer dat iemand ‘het volk’ zegt, sterft er een komma.

 

(Papieren gordijn valt. Publiek raapt komma’s op.)

 

  1. Openbaring in een typefout

Wat Kraus bevocht met vuur, viert Beckmans met een schuimklopper.

Beiden weten: waarheid schuilt in de vergissing.

Een drukfout onthult meer dan een manifest.

‘POPULISME’ ‘POPLISME’ ‘POP ISME.’

Daar is het: de cultus van instant geluid.

 

Kraus wilde zuivering; Beckmans stelt gisting voor.

Laat woorden rotten tot ze weer sprankelen.

Noem het taalkundige kimchi — zure waarheid, bewaard in tijd.

 

  1. Moraal van de smeltende toorts

Het essay lost op.

Taal, ooit moreel, nu komisch.

Maar humor, zegt Beckmans, is ethiek met knoflook.

Ze blijft hangen.

 

Kraus dacht dat satire de beschaving kon redden;

Beckmans vermoedt dat ze alleen de ruïnes kan vermaken.

Toch gaan ze door — de een in stoffige tijdschriften, de ander in performatieve keukens —

want stilte is het paradijs van de populist.

 

Dus blijven ze praten, zuchtend en hakkelend.

De toorts brandt nog, nu op zonne-energie, bevestigd aan een fietshelm.

Ze verlicht geen waarheid, maar wel onze lach.

 

  1. Suggestie voor een Dada-republiek

Stel je de menigte voor, scanderend op een plein.

Kraus luistert, doodsbang.

Beckmans doet mee, maar verandert elk derde woord:

 

MAAK AMSTERDAM WEER MISVERSTAAND!

 

De leus stort in, het gelach begint.

Die kleine aarzeling — dat is de hartslag van democratie.

 

Want als woorden niet langer maar één betekenis hebben, beeft de macht.

Populisme houdt van rechte lijnen; Dada tekent spiralen.

In die spiralen ontmoeten Kraus en Beckmans elkaar:

de moralist en de nar, de grammaticus en de schilder.

 

Ze klinken met taalgenever.

‘Prost,’ zegt Kraus.

‘Proest,’ zegt Beckmans, en hoest een woordgrap uit.

Echo: ‘Pro est’ — het is vóór.

Waarvoor? Voor woorden die nog durven spelen.

 

Nawoord (voor te lezen terwijl men een krant tot confetti scheurt)

Taal is niet neutraal.

Populisme doet alsof.

Kraus bewees de leugen; Beckmans voert haar begrafenis op.

 

Elk woord, een kleine opstand.

Elke woordspeling, een micro-revolutie.

Elke lach, een weigering om gerekruteerd te worden.

 

En zo eindigt het waar het begon:

tik tik tik — typemachine, fietsbellen, zelfde ritme.

De morele toorts flakkert, de Hollandse wind huilt, de pagina gedraagt zich slecht.

 

‘In het begin was het Woord,’ fluistert Kraus.

‘En aan het einde,’ antwoordt Beckmans,

‘een Woord dat leerde dansen.’

Later, veel later, verscheen er over dit stuk een recensie in een Duitse krant: ‘Beckmans ist ein spätgeborener Dadaist

(Speelduur: circa 23 minuten).

 

 

Aanbevolen begeleiding: accordeon, typemachine en veraf gelach.)

Bij de lancering van webmagazine De Republikein donderdag 29 januari jl. bij Arti et Amicitiae te Amsterdam droeg Fredie Beckmans uit dit toneelstuk voor.