Eind negentiende eeuw bogen Nederlandse schrijvers zich al over de koningskwestie. Of, beter gezegd, de tsarenkwestie want het debat tussen P.L.Tak, Frederik van Eeden, Alphons Diepenbrock en Lodewijk van Deyssel ging over tsaar Nicolaas II.
Daphne Meijer
Er waren eens twee vrienden: Pieter Lodewijk Tak, uitgever, sociaaldemocratisch politicus, hoofdredacteur, en Frederik van Eeden, psychiater en schrijver en een periode in zijn leven enorm begaan met de mensenrechten. Vrienden die in elk geval in de jaren negentig van de negentiende eeuw in dezelfde literaire tijdschriften publiceren en ruzie maken met dezelfde tegenstanders. Ook over de monarchie. Van Eeden publiceert in 1890 zijn Brief aan de Keizer aller Russen, een snijdend pamflet tegen de tsaristische onderdrukking van elke vernieuwingsgezindheid. In 1890 is Alexander III nog aan het bewind, als autocratische reactionair. Diens zoon Nicolaas is zich dan aan het voorbereiden op een politiek verstandig huwelijk. In 1894 overlijdt Alexander in het zomerpaleis van de Romanovs op de Krim, totaal onverwacht, en Nicolaas wordt tsaar.
Bij een troonsbestijging hoort een officieel ritueel, ook in laat negentiende-eeuws Moskou. Er moet een kroning georganiseerd, maar dat kost tijd. Daarom wordt een datum geprikt die ruim in de toekomst ligt: 26 mei 1896.
De jonge Nederlandse kunstenaar Marius Bauer wil erheen en hij legt zijn plan voor aan P.L. Tak, dan hoofdredacteur van De Kroniek. Tak is van plan Bauers verslagen in feuilletonvorm te publiceren, als kritische noot tegenover de berichten die andere ooggetuigen uit Rusland naar de Nederlandse kranten zullen sturen. Marius Bauer (Den Haag, 1867) is een leeftijdgenoot van Nicolaas en net even afgestudeerd aan de Koninklijke Academie in Den Haag. Hij zou heel bekend worden om zijn oriëntalistische taferelen; schilderijen, aquarellen en etsen.
Bauer trapt rustig af in zijn eerste brief. “Amice, Berlijn heb ik nu al lang achter de rug. (…) Alleen de vreemde klederdracht van enkele boeren op het land, of een kar op Russische wijze bespannen, herinneren mij eraan in Rusland te zijn. (…) Opeens kreeg ik de volle indruk in Brest-Litovsk. Daar stonden ze, de echte Russen, met de platte gezichten en de lange baarden, de Kaukasiërs in witte schapenvachten, de Joden, tenger en mager, de boerinnen met hoge laarzen en korte rokken, en midden in die massa op het perron schetterde de muziek van de soldaten, en te midden van een aantal officieren stonden enige generaals, de grijze mantels over de schouders geworpen. ’t Was ’t feestelijke uitgeleide van een aantal troepen voor de kroning. Voor de kroning? Ik begin nu opeens te begrijpen wat mij nog te wachten staat; nog 24 uur sporen.”
Eenmaal in Moskou gaat Bauer als een verslaggever overal op af. Hij kletst zich overal naar binnen. En hoewel het niet de bedoeling is, raakt hij enorm onder de indruk van wat hij ziet en meemaakt. “In een van de vleugels van het Kremlinpaleis ligt de schatkamer van de tsaar, en ik was zo gelukkig daar toegang te verkrijgen. (…) Daar staan ook de tronen, die dienst zullen doen bij de aanstaande kroning. Daar staan ook de purperen en goudbrokaten mantels, de zilveren japonnen die vroegere keizers en keizerinnen bij hun kroning gedragen hebben, en midden in liggen de kroon, scepter, rijksappel en ketens, waarmede Nicolaas zich kronen zal. (…)”
Zijn verslag wordt allengs enthousiaster. “Reeds drie dagen lang reed een stoet herauten door de stad. Op ieder plein en bij de voornaamste kerken werd de proclamatie voorgelezen. Als je al die weelderige praal en enorme rijkdom voor ogen krijgt, dan is het geen kaartenkoning meer, maar wel degelijk een vorst die uitverkoren is boven duizenden. En ik verzeker je, dat als je de keizer daar lopen ziet, op het Kremlin, omstuwd door die weidse pracht, dat hoe middeleeuws dan ook, het een schouwspel is, zo ontzaglijk mooi, dat men onze beschaafde eeuw verwenst, die zelfs vorsten in confectiepakken ziet lopen.”
Bij de publicatie van Bauers eerste brief plaatst hoofdredacteur Tak een commentaar: “Het zal de lezers van De Kroniek zijn opgevallen hoe het kunstenaarsoog van de heer Bauer wordt getroffen door de pracht en schittering die de buitenkant vormt van het Tsarendom. Net zoals de kunstenaar geniet van de kleurenpracht van deze maskerade, zo worden ook de zinnen van het volk erdoor gestreeld. (…) Niet alleen het Russische volk is een kind, dat geniet van een voor de gewone man onbereikbare schittering. Het volk, dat juicht bij het zien van koninklijke en keizerlijke pracht, reageert net als kinderen die een pakkend sprookje te horen krijgen.”
Tak ontvangt hierop een woedende reactie, van de componist Alphons Diepenbrock. Hij schrijft ook voor De Kroniek en dan vooral over muziek. Diepenbrock is het totaal oneens met wat Tak had geschreven over de kinderlijkheid van het volk. Er is, wat Diepenbrock betreft, iets heel anders aan de hand: de tsaar is een vertegenwoordiger van het goddelijke en de pracht en praal die de tsaar omringt is een weerschijn van hemelse schoonheid. Door de tsaar te aanbidden, aanbidt men God. De tsaar in levende lijve zien, geeft ook de meest eenvoudige Rus een kans oog in oog te staan met het meest sacrale.
Alphons Diepenbrock: “Waarde vriend, Ik begrijp dat wat u in uw artikel over de kroning van de Tsaar hebt gezegd, voor de meeste oren lieflijk klinkt, en vanzelfsprekend. Maar ik werd liever als een gek opgesloten, dan geacht over deze zaken uw mening te delen. En ook al zou ik met mijn afkeer alleen staan, dat zal mij niet weerhouden luid en nadrukkelijk te zeggen dat ik uw standpunten over de kinderlijkheid van het volk en zijn langzame emancipatie voor verwerpelijk en verderfelijk houdt.”
EENZAME MARTELAAR
Een paar dagen later komt er een brief binnen van Frederik van Eeden. “Ik wilde u, en vooral de jongeren onder u, aansporen om te vertrouwen op dat gevoel, dat u, al was het een ogenblik, bij de lezing van Diepenbrocks stukje heeft doen denken: die man schrijft dwaasheid. Dit vertrouwen zal velen onder u moeilijk vallen, want Diepenbrock gebruikt heftiger en klinkender woorden dan hij gewend is. Hij stelt zich op het gevoelige standpunt van de eenzame martelaar voor schoonheid en mysterie. Dit is alles verleidelijk, boeiend en verblindend voor velen, vooral voor jonge, artistieke en dweepzieke personen. Het eist in vele opzichten meer moed voor de besten onder u, de zijde te kiezen van de meerderheid, die gewoon is en banaal, dan de minderheid die trots is en voornaam. Laat u niet verlokken: vraag u een ding af: Waar is Recht?”
En uiteindelijk mengt ook Lodewijk van Deyssel zich in het debat: “Ofschoon ik van gevoelen ben dat een actuele ontboezeming als Diepenbrocks stelling omtrent Keizerschap en Socialisme aan waarde zou winnen indien zij een toepassing was van elders breder uiteengezette theorieën, en mij veroorlovend Taks antwoord voortreffelijk te noemen, zo stel ik er toch prijs op te verklaren dat ik in deze met mijn sympathieën mij geheel aan de zijde van de heren Bauer en Diepenbrock bevind.”
Van Deyssel onthult waar de onenigheid in de kern over gaat: waarom eert het volk zijn vorst?
“En wanneer ik dus met enige heftigheid tegen uw meningen optrad, dan was dat ook niet omdat mij de Russische Tsaar en het Russische barbarisme ook maar enigszins dierbaar zijn, maar omdat ik in het dynastische volkssentiment een steeds meer verblekende afglans zie van de oude volksemotie die de vorst met de gratie Gods omgaf, en daarin het Wonder van de heerser vereerde, die de goddelijkheid deelachtig was geworden.”
Frederik van Eeden gaat hier tegenin: “Zal uit de eerste indruk niet blijven hangen de mening: dat alles wat uiterlijk mooi is, ook goed is, en dus verlangd, gewild en bevorderd moet worden? Dus dat wij, zoals van Deyssel dit het scherpst formuleert, de dupe moeten willen zijn van een illusie, wanneer die illusie maar schoon is? Daar, en daar alleen, sta ik tegenover.”
Intussen laat Marius Bauer zich uitnodigen voor een van de kroningsbals.
“Langs de zalen loopt een groot en breed terras
en moe van het kijken leunde ik over de ballustrade
en blies de rookwolkjes van de cigarette voor mij uit.
Daar beneden verdrong zich en juichte het volk,
vreemd verlicht door de groene en rode elektrisch brandende torens van het Kremlin
en daarachter, nog lager,
weerkaatste de rivier de geïllumineerde facaden der huizen
en aan de horizon, ver over de grote stad,
dreef reusachtig en bloedrood de opkomende maan.
Naast mij stond een jonge oosterse prins,
in zwart en zilver, en keek melancholiek over het grootse panorama.”
In Amsterdam hakketakken de vrienden nog even door en trekken zij alles uit de kast aan mooie formuleringen, maar men komt niet nader tot elkaar. Tak plaatst nog enkele brieven en houdt er dan mee op. De polemiek eindigt voor de deelnemers in Nederland onbeslist.
WORST EN BROODJE

Marius Bauer, die zich hier niet bewust van is, heeft uiteindelijk het laatste woord in De Kroniek. Op 1 juni schrijft hij aan Tak over het volksfeest na de kroning, dat 30 mei uitloopt op een tragedie. “Ik had je gaarne een opgewekte brief geschreven over het volksfeest, maar de treurige afloop ervan noopt mij me te bepalen tot de feiten. (…) Er zou aan een half miljoen mensen een aardig versierde beker, gevuld met noten en bonbons, worden uitgereikt, benevens een worst en een broodje waar het keizerlijk wapen op gebakken is. Dat alles in een net doekje gepakt, waar het Kremlinpaleis op staat gedrukt. Bij het uitreiken van deze dingen is de ramp gebeurd. Het gedrang moest vreselijk geweest zijn. De provincialen hebben met geweld vrouwen en kinderen omlaag gedrukt en met hun olifantspoten vertrapt. (…) De brandweer reed de hele dag met karren om de doden weg te jagen, en zelfs verhuiswagens moesten dienst doen om die stapels lijken te vervoeren. Gelukkig heb ik van dit alles niets gezien, het gebeurde vroeg in de ochtend, wel zag ik die karren rijden maar wist niet welke vreselijke last ze vervoerden! Och, het leven van een boer heeft niet veel waarde; terwijl op het grote kerkhof duizend gravers bezig waren het graf te delven voor de lijken van het Chodynkaveld, danste de keizerin op het bal van de Franse ambassade…! Het hof heeft geen enkel nummer van de feesten opgegeven en het hele programma wordt met een opgewektheid afgespeeld, alsof er van geen doodgetrapte mensen sprake is, en het trof mij, toen ik op het kerkhof de opgezwollen en misvormde lijken en walgelijke overblijfselen van die arme stakkers gezien had, en diezelfde avond het hof weer paraderen zag.”
Ter ere van de slachtoffers werd op het Chodynkaveld een kerk gebouwd. Tegenwoordig luidt de consensus dat er die dag op het veld 1389 bezoekers zijn doodgetrapt. Dat er amper vier dagen na zijn kroning al zo veel doden vielen, leidde tot veel analyse achteraf: het bloedige einde wierp toen al zijn schaduw vooruit.
Meer lezen? Marius Bauer: brieven en schetsen van zijn reizen naar Moskou en Constantinopel, gevolgd door enige polemieken tussen socialisten en estheten, Amsterdam, Wereldbibliotheekvereniging, 1964.
De beker op de foto is te vinden in het MuzeeAquarium in Delfzijl. Bedankt voor het fotograferen! Wie hem vanuit Moskou naar Groningen heeft meegenomen, en wanneer, is niet bekend.
