Met de onweerstaanbare opkomst van voormalig voetbalcommentator André Ventura en diens PVV-achtige partij CHEGA dreigde Portugal ruim vijftig jaar na de Anjerrevolutie weer in extreem-rechts vaarwater te belanden. Dat gevaar is bij de jongste presidentsverkiezingen voorlopig afgewend, maar voor hoe lang nog?
RICUS VAN DER KWAST
Het gebaar had een wrange symboliek. Half Portugal stond na weken noodweer onder water en de twee overgebleven presidentskandidaten doneerden zeil, bestemd voor de verkiezingsplakkaten, om de daken van de meest beschadigde huizen mee af te dekken. Maar ondanks regen en storm wist de helft van de kiesgerechtigden op 8 februari de weg naar de stembus te vinden. Een week later mochten de zwaarst getroffen dorpen nog hun stem uitbrengen. Het eindresultaat laat niets aan duidelijkheid te wensen over. António José Seguro wordt de nieuwe president van Portugal.
De voormalige socialistische minister die nu als onafhankelijke kandidaat meedeed, versloeg in de tweede ronde André Ventura van het extreemrechtse CHEGA. Uiteindelijk bedroeg het verschil een straatlengte. Seguro behaalde 67 procent van de stemmen, twee keer zoveel als zijn tegenstrever. In de afgelopen vijftig jaar was alleen de overwinning van Mário Soares bij zijn herverkiezing in 1991 met 70,3 procent nog overtuigender.
Een overwinning voor links kan het niet genoemd worden. Seguro bereikte de tweede ronde, omdat centrumrechts verdeeld was over drie kandidaten. Luís Marques Mendes was de fletse vertegenwoordiger van de regeringspartij AD van premier Luís Montenegro. Hij werd met 11,3 procent in de eerste ronde voorbijgestreefd door João Cotrim de Figueiredo (16,0 procent) van de rechtsliberale IL.
Ook de onafhankelijke kandidaat Henrique Gouveia e Melo deed het nog beter dan Marques Mendes. De gewezen admiraal had faam verworven door de vlekkeloze organisatie van de vaccinatiecampagne tijdens de coronapandemie. De kandidaat zonder enige partijbinding kon zich met recht onafhankelijk noemen, en waar Ventura viste in de vijver van de tegenstemmen, verzamelde Gouveia e Melo een gematigder soort proteststem. Lang heeft hij op kop gelegen in de peilingen. Maar hij had te vroeg gepiekt en het gebrek aan politieke ervaring brak hem uiteindelijk op. Hij bleef steken op 12,3 procent.
Zo scoorde centrumrechts bij elkaar 40 procent, tegenover 31 procent voor Seguro 31 procent en 23,5 procent voor Ventura, en werd het king-maker. Een ruime meerderheid zou in de tweede ronde voor Seguro kiezen. In een open brief schreven 250 Portugese prominenten dat zij, niet-socialisten, zich niet vertegenwoordigd voelen door de verdeeldheid zaaiende Ventura. Seguro wist zich ook verzekerd van de steun van conservatieve zwaargewichten uit het verleden, van António Ramalho Eanes, in 1976 de eerste democratisch gekozen president van het land, van ex-premier en ex-president Aníbal Cavaco Silva, van Paulo Portas, voormalig vice-premier.
ONE MAN-SHOW
In die zin doen deze verkiezingen denken aan de Franse verkiezingen uit 2002, toen tot ieders verbazing Jean-Marie Le Pen doordrong tot de tweede ronde tegenover Jacques Chirac. Vriend en vijand besloot daarop Chirac te steunen, die 82 procent van de stemmen vergaarde. De democratie in Portugal is laat uit de startblokken geschoten en zo loopt ook de rechtsextremistische trend achter. André Ventura heeft CHEGA (dat zoveel betekent als ‘genoeg’ of ‘basta’), een one-manshow opgericht naar het beeld van Geert Wilders’ PVV. Aanvankelijk had de in 2018 opgerichte partij een programma met voornamelijk xenofobe retoriek tegen de Romagemeenschap. Inmiddels is immigratie tout court het voornaamste doelwit, met corruptie van de gevestigde politieke klasse als goede tweede. Alleen bij Ventura is de westelijke christelijke beschaving in goede handen, is de boodschap. Hij werpt zich op als de antisysteemkandidaat bij uitstek en ziet zich als hoeder van de democratie. Het lijkt de gemeenschappelijke noemer van het populistische extremisme van de afgelopen jaren: als de enige ware vertegenwoordiger van het volk redt Chega het de democratie uit de klauwen van een kwaadwillende elite.
Intussen had Ventura het nodige te stellen met schandalen in de eigen gelederen. Een CHEGA-kopstuk is aangeklaagd voor het aanzetten tot jeugdprostitutie. Tragikomisch zijn verder de beelden van CHEGA-afgevaardigde Miguel Arruda, die de bagagebanden van vliegvelden afstroopte en beschuldigd is van eenentwintig gevallen van kofferdiefstal.
Het belette Ventura niet om in zijn campagne fel van leer te trekken tegen vijftig vespilde jaren democratie. Niet één, maar drie Salazars zou het land nodig hebben om orde op zaken te stellen. Hij plaatste verkiezingsposters die het gemunt hebben op de Roma’s, op een ander viel ‘dit is geen Bangladesh’ te lezen. Hij lokte een storm van verontwaardiging uit – ‘hebben we daar zelf vier, vijf eeuwen geleden niet flink huisgehouden?’, vroeg een enkeling zich af – en daar ging het hem om.
Ventura provoceert, hij teert op tegenstellingen en conflicten. Het heeft hem de steun opgeleverd in de verlaten gebieden dieper het land in, op Madeira, van de Portugezen in het buitenland. In een poging salonfähiger te worden, verklaarde hij zich de erfgenaam van Francisco Sá Carneiro, een van de founding fathers van de Portugese democratie. Maar het is hem nooit gelukt een presidentieel voorkomen aan te meten. Het laatste debat met Seguro was een herhaling van zetten en schimpscheuten, iets wat de Portugese landsaard een gruwel is. Van de driehonderdenacht kiesgemeenten won Ventura er uiteindelijk twee.
KANTELPUNT
Vooraf hadden veel Portugezen zich afgevraagd of deze verkiezingen het einde van een tijdperk inluidden, een tijdperk dat in 1986 was begonnen. 1986 is een kantelpunt in de moderne Portugese geschiedenis. Het land bevond zich in een diepe crisis. Twaalf jaar na de Anjerrevolutie was Portugal nog volop aan het herstellen van een dictatuur die het bijna een halve eeuw in zijn greep had gehad. De doorsnee-Portugees was arm en zijn land zocht naar stabiliteit, met tien regeringen in evenveel jaar achter de rug. Steeds vaker hoorde je twijfels of dat democratische experiment wel zou slagen.
Maar begin 1986 was er een nieuw elan. De toetreding tot de EU op 1 januari zorgde voor een toekomstperspectief en de presidentsverkiezingen kort daarop maakten enthousiasme los in het hele land. Voor het eerst waren er alleen burgerlijke kandidaten. Massaal gingen mensen de straat op om hun favoriet te ondersteunen. In de gesprekken aan de toog moest voetbal tijdelijk wijken voor politiek.
Er was een tweede ronde nodig om uit te maken wie president zou worden – het zou de enige keer blijven, tot dit jaar. De eerste verkiezingsronde had net geen absolute meerderheid opgeleverd voor Diogo Freitas do Amaral, de man die door centrumrechts naar voren was geschoven. In de tweede ronde moest hij het opnemen tegen Mário Soares, de officiële kandidaat van de Partido Socialista (PS).
Dat Soares de tweede ronde haalde, mocht een mirakel heten. Gebutst door drie premierschappen stond hij bij de start van de campagnes op amper 8% in de peilingen. Hij haalde flink op, scoorde in die eerste ronde uiteindelijk 25%, leek echter kansloos tegenover de 46 procent van Freitas do Amaral. Maar Soares vond zichzelf opnieuw uit en begon aan een indrukwekkende inhaalrace. Feilloos speelde hij in op de optimistischere stemming in het land. Hij wist zich van de stem van de hele linkerflank te verzekeren. De aanvallen van Freitas do Amaral vanwege de steun van de communisten voor Soares, pareerde hij door zijn opponent een passieve houding tijdens de dictatuur te verwijten. Het mondde uit in een monumentaal debat op 4 februari, ongekend hard voor Portugese begrippen die tijd, een duel tussen twee heren die elkaar naar de buitenkant dreven. Maar wie er ook zou winnen, de democratie was niet in gevaar, concludeerde Expresso in een hoofdartikel.
Dat is precies wat anno 2026 betwijfeld werd. Deze verkiezingen zijn daarom nooit over de winst van Seguro gegaan, altijd over het verlies van Ventura.
SENSATIONELE COMEBACK
Mário Soares won in 1986, met een flinterdunne meerderheid: 51 procent tegen 49 procent. Zo’n sensationele comeback als van Soares veertig jaar terug zat er voor Ventura niet in. Het zal hem weinig deren. Hij zal met een gerust hart zijn parlementszetel weer innemen, waar hij een groter bereik heeft, en afwachten – ook hier is Geert Wilders een voorbeeld.
Zo krijgt Portugal een socialistische president naast een centrumrechtse regering, en de meeste Portugezen bevalt deze coabitação wel. De rol van de president is weliswaar grotendeels ceremonieel, maar hij heeft tegelijk een wakende functie. Hij tekent wetten of kan ze vetoën, hij kan het parlement ontbinden.
In 1986 brak een periode van groei en stabiliteit aan in Portugal, en ook toen werd er samengewoond. Soares zou president blijven tot 1996; de centrumrechtse regering van Cavaco Silva zou tot eind 1995 in het zadel blijven. Tien jaar onbekommerde democratie, menig Portugees tekent daar vandaag blind voor.
Buiten zijn de stormen gaan liggen, het water is gezakt, en tegelijk is de rust teruggekeerd in de politieke arena. Het gevaar is ingedamd, maar voor hoe lang?
Met dank aan Bárbara Azevedo en Lurdes Pereira voor de gesprekken, suggesties en verwijzingen
