26 augustus 1976. Koningin Juliana en prins Bernhard keren op Soestdijk terug van hun Italiaanse vakantie omdat premier Den Uyl in de Tweede Kamer de resultaten van de commissie-Donner over de Lockheed-affaire bekend maakt. Bernhard in de auto voor paleis Soestdijk. Achterin koningin Juliana met haar hondje Sara. Foto: Collectie Spaarnestad/Nationaal Archief/Anefo via Wikicommons.

Vijftig jaar geleden was Nederland in de ban van het Lockheed-schandaal. Journalist Ton van Dijk (1943-2021) beleefde daarmee zijn ‘finest hour’ als hoofdredacteur van weekblad Nieuwe Revu. Op zoek naar bewijzen voor de omkoping van Bernhard als inspecteur-generaal van de Nederlandse strijdkrachten door de Amerikaanse vliegtuigenfabrikant kruiste zijn pad met de dissidente royalty-experts Wim Klinkenberg en Willem Oltmans. 

TEKST TON VAN DIJK

Een van mijn leukste en spannendste journalistieke perioden was de tijd van de Lockheed-affaire. Niet alleen omdat het groot nieuws betrof  –  en Nieuwe Revu, waar ik toen een soort van gekozen en door de directie slechts met lange tanden gedoogd hoofdredacteur was, nam daar wekenlang het voortouw in –  maar ook omdat het achter de schermen zoveel rare anekdotes en journalistieke dwarsverbindingen bloot legde. Door de Lockheed-affaire kwam bijvoorbeeld Willem Oltmans (†) in beeld. Oltmans was veel. Groot, knap, perfect gekleed, van goeden huize, journalist, zakenman, ritselaar, opschepper, onderhandelaar, self made factor op het politieke wereldtoneel, complotdenker, sympathiek wanneer het uitkwam;  hautaine, egocentrische verongelijkte querulant als het hem niet uitkwam en bij dat alles ook af en toe nog een zeer valse nicht. (Nou, zo kan het grafschrift wel weer.)

De eerste publicatie in Nederland over omkopingspraktijken van Lockheed stond in een tweekolommer in NRC-Handelsblad. Amerikaans correspondent Eric Boogerman meldde, overgenomen uit de Wall Street Journal van 4 december 1975, dat ene Ernst Hauser, voormalig employee van Lockheed belast met de ‘wining and dining’, onder ede voor de Securities and Exchange Commission (de beurswaakhond) had verklaard dat Lockheed in Japan, Duitsland en Nederland hooggeplaatste personen had omgekocht om de aankoop van de Starfighter door te drukken. We lazen het. Opwinding. Wie kon dat zijn? We dachten aan een minister of aan Bernhard. Vooral aan Bernhard, die was immers altijd met vliegtuigen bezig. De Wall Street Journal lag toen in Nederland niet overal in de kiosk. Van Gelderen Import gebeld. Hé, zei Van Gelderen, daarnet heeft ook Wim Klinkenberg gevraagd om een exemplaar. Wim Klinkenberg (ook al †),  de laatste stalinist van Nederland en jarenlang vice-voorzitter van de Nederlandse vereniging van Journalisten, heeft zijn halve journalistieke leven besteed aan de handel en wandel van Bernhard. Collega en goede kennis Emile Fallaux zat voor de VPRO in New York. Kon hij achter Hauser aan? Dat kon hij niet zomaar buiten de VPRO doen. Gelukkig had de omroep wel belangstelling, maar niet veel haast, men was in die tijd nogal van de trage documentaire met veel opwaaiend herfstblad. Ik bood Emile een freelance honorarium van 10.000 gulden als wij Hauser het eerst zouden kunnen hebben. Emile zei ja, het bedrag was hoog, maar het zou mijn beste investering blijken.

Hauser bleek de Duitse en Japanse pers te ontwijken. Emile was de eerste Nederlander die hem vond en Hauser wilde tegen een reiskostenvergoeding wel vanuit Phoenix naar New York komen. Ik vloog ook vrijdag 16 januari 1976. We interviewden en filmden Hauser zowat een hele dag ten huize van Fallaux aan de University Street, eten en drinken kwam uit de deli om de hoek. Ik heb van New York alleen de weg van en naar het vliegveld gezien. Gelukkig reed de taxichauffeur de toeristische route over de Brooklyn Bridge. Hauser had zijn agenda’s en aantekeningen uit die tijd bij zich. Hij verzekerde dat B. in zijn dagboekje Prins Bernhard was en over welke contacten dat allemaal liep. Het zou gaan om miljoenen. En hij maakte ook nog de opmerking dat Bernhard dat geld kennelijk nodig had voor iets waarvoor hij moeilijk bij Juliana kon aankloppen. Ik vloog terug met dezelfde bemanning als waar ik mee gekomen was. Ik tikte ’s nachts het interview uit met de hypocriete toon van: ‘Wat die man allemaal durft te beweren over onze prins! Het is een schande, maar we willen u die informatie niet onthouden!’ Want wie durfde er in die jaren eigenlijk aan het koningshuis te komen?

Nog dat weekeinde werden zowat alle belangrijke verslaggevers van Nieuwe Revu op de zaak gezet voor de weken daarop, de aantekeningen van Hauser in de hand.  Nieuwe Revu met Hauser lag 20 januari in de kiosk, de cover was ‘opengescheurd’ met een zwart vlak, alsof het grote nieuws inderdaad pas last minute de drukpers op kon, wat in feite ook zo was. ‘Hauser onthult omkoopschandalen’. De bom barstte. Wim Klinkenberg en Willem Oltmans, op zijn manier ook een Bernhardwatcher, stormden verhit de redactie op. Ze zouden, ook weer ieder op hun eigen manier de ruim tien weken dat Nieuwe Revu bleef zoeken en publiceren regelmatige gasten worden met tips en informatie. Klinkenberg kende zowat elke stap uit het leven van Bernhard. De verslaggevers meldden zich dagelijks vanuit Zwitserland, München, Baarn, Wassenaar, Parijs of Den Haag met nieuwe stukjes van de legpuzzel. We vonden foto’s. Bernhard als peetvader bij de tweeling van vriend, ex-verzetsman en Lockheedagent Hans Teengs Gerritsen, die een rol had gespeeld bij het doorsluizen van het geld. Hauser was weer peetvader van een kind van Franz Josef Strauss, bijgenaamd de Koning van Beieren, die als minister van Defensie voor de Bondsrepubliek Starfighters had gekocht. Telegrammen, stukken, we spraken iedereen die indertijd zich met de aankoop van de Starfighter bemoeid had of daar zicht op had. Klinkenberg juichte. Ondertussen werd het gerucht steeds sterker dat Bernhard een buitenechtelijk kind te Parijs had en dat veel van de miljoenen die kant waren uitgegaan. Hauser had dat ook gesuggereerd.

Apart detail: uit het logboek van het Fokker regeringsvliegtuig bleek dat Bernhard in die jaren dat hij een minnares zou hebben gehad, veel naar de lichtstad vloog. Daar waren in die tijd Kamervragen over gesteld, of de Prins niet al te veel privé vloog op kosten van de belastingbetaler. Nou, nee, had de RVD gezegd, de Prins legde ook veel min of meer onofficiële contacten, maar vooral ging hij in Parijs naar de tandarts. Vooruit, het leek toen aannemelijk, gaatjes vullen, maar dan heb je in Nederland buiten de waard en de belangenorganisaties gerekend. De Nederlandse Vereniging van Tandartsen klom onmiddellijk in de pen. Waren de Nederlandse tandartsen soms niet goed genoeg? De RVD moest wederom in de smoezenkast grabbelen. Natuurlijk de Nederlandse tandartsen waren ook zeer goed, boven alle twijfel verheven, maar met een tandarts heb je een persoonlijke relatie die je niet gauw verbreekt. Bernhard kende deze tandarts al van de tijd dat hij voor de oorlog voor de Duitse chemiereus IG Farben in Parijs werkte.

 

RAPPORT-DONNER

Nieuwe Revu bleef wekelijks publiceren. Toen maanden later het Donnerrapport uitkwam bleek dat wij tachtig procent uit eigen nieuwsgaring zelf boven water hadden weten te krijgen. Alleen Gert Jan Laan en Rien Robijns van het Rotterdamse Vrije Volk konden ons bijbenen, zij hadden prima bronnen in Zwitserland, de andere kranten en weekbladen schreven vooral óver uit Nieuwe Revu. Gelukkig met uitvoerige bronvermelding, niet uit collegialiteit, maar uit angst, omdat het om Prins Bernhard ging, om ons koningshuis, er was nog niets bewezen, stel je voor dat het niet waar was! ‘Nieuwe Revu beweert dat…Nieuwe Revu zou uitgezocht hebben…Nieuwe Revu zou bewijzen hebben dat’… Die uit schijterigheid zo uitgebreide bronvermelding ging zover dat Parool-hoofdredacteur Sandberg zich ter redactie vertwijfeld afvroeg of zijn krant geen eigen verslaggevers had. Nieuwe Revu kreeg een gratis publiciteit die onbetaalbaar was. Voor mij als hoofdredacteur en schrijver van het interview met Hauser was het mijn finest hour. Een primeur van wereldformaat. De wekelijkse afleveringen in NR waren zo spraakmakend dat ‘s maandags Arend Jan Heerma van Voss van de Haagse Post belde met de vraag wat wij die week daarop zouden publiceren omdat hij zijn commentatoren wilden voeden. Nadat ik de telefoon had neergelegd, belde Rinus Ferdinandusse van VN met dezelfde vraag. Ik had status! Ik was ineens iemand! De jonge, zeer Amsterdamse journalist, zoon van een bakkersknecht, die bij dat kappersblaadje Nieuwe Revu ineens aan de touwtjes trok, had journalistiek goud in handen.

Oltmans kwam uit een welgestelde familie van kinineplanters en liet zich er graag op voorstaan dat hij dezelfde gouvernante had gehad als Beatrix. Hij sprak vol afschuw over Bernhard. Zo’n platte ordinaire man eigenlijk, zo iemand die aan de lunch van alles verkocht, tot en met vliegtuigen, als hij er maar voordeel bij had. Oltmans vond het zo zielig voor Juliana! Al dat vreemdgaan, onechte kinderen verwekken bij andere vrouwen, bah. Die Bernhard had ‘m los in de broek hangen. Was het ons nooit opgevallen dat de kroonprins na sommige buitenlandse reizen vanaf Schiphol rechtstreeks naar het Utrechtse militaire hospitaal Oog en Al ging, zogenaamd omdat hij een lichte spierontsteking had opgelopen? Nou, dat was in opdracht van Juliana, zeker als Bernhard met zijn vriendjes in Zuid-Amerika de bloemetjes had buiten gezet, wilde Juliana absoluut zeker weten dat de prins-gemaal ‘schoon’ was als-ie thuis kwam, ze had geen zin in geslachtziektes op Soestdijk. Oltmans wist het zeker.

De zakelijke Oltmans zag ook financiële mogelijkheden. Hij wist niet precies wie de moeder was, zei hij, maar hij kende wel een fotograaf die foto’s van haar had. Die vroeg 40.000 gulden. Ik mocht niet zelf met de fotograaf onderhandelen, Willem zei dat de fotograaf anoniem wilde blijven. Dat stonk aan alle kanten, maar ik was brandend nieuwsgierig. Nieuwe Revu had een contract met Stern. Daar speurde destijds hun topverslaggever Gerd ‘Spitzenqualität’ Heidemann naar de handel en wandel van de eveneens omgekochte minister Franz Josef Strauss. Gerd Heidemann zou later heel beroemd worden. Voor 9 miljoen mark verkocht hij samen met vervalser Kujau de nepdagboeken van Hitler aan zijn baas. Ik zocht samenwerking met hoofdredacteur Henri Nannen. Oltmans mocht mee naar Hamburg, op kosten van Nieuwe Revu. Nannen moet nog nooit zoiets absurds hebben meegemaakt. Een langharige jonge hoofdredacteur in spijkerbroek en een iets oudere gesoigneerde nicht in maatpak. Oltmans sprak geen drie woorden Duits rechtuit. Toch drong hij onmiddellijk voor, duwde Nannen een van zijn zelf geschreven onmogelijk dikke pillen in handen en begon zich in een soort taaltje van steenkolengruis aan te prijzen. Ik riep hem tot de orde, maar hij beet mij toe dat hij veel beter was in internationale onderhandelingen. Toen zei ik hem dat hij nu onmiddellijk zijn bek moest houden. Oltmans reageerde ontstemd, maar hield zijn mond. Nannen vroeg of wij een consumptie beliefden maar wilde niet meedoen, de escapades van Bernhard vond hij zoveel geld niet waard.

POUPETTE

Terug in het vliegtuig –  ik was eerst woedend apart gaan zitten – vermande ik mij en begon Oltmans uit te horen. Hij zakte in prijs naar 25.000 gulden, maar liet ondertussen toch, ondanks al zijn geheimzinnigheid, zoveel los dat ik drie dingen wist: zij was een starletje, had pogingen gedaan om bij de film te komen, zodoende liep zij ook rond op feestjes en fotoshoots in Cannes, waar haar ouders woonden. Haar broer was een Franse tenniskampioen geweest en zij zou een keer op een gala in Parijs zijn voorgesteld aan koningin Juliana, die daar een hele rij adel en notabelen handjesschuddend moest afwerken. Dat gebeurt vaak bij een staatsbezoek. Allen die aan de koningin worden voorgesteld gaan ook op de foto. Een lijst met Franse toptennissers was snel gemaakt. Voor de filmsterfotootjes bracht het fotoarchief Spaarnestad uitkomst. Als ik dezelfde achternaam bij een tennisser en bij een aankomend filmsterretje zou vinden, was het raak. Bij de tweede map filmfestival Cannes had ik twee foto’s in handen van de zus van succesvol tennisser Jean Noël Grinda. Het was Hélène Grinda in bikini, een waarop zij bevallig leunde tegen de muur van het ouderlijk huis in Cannes, een op het strand. Hélène, bijgenaamd Poupette, of Pussy, zou later huwen en baronesse Le Jeune gaan heten, als zodanig schudde zij, die foto was nu niet moeilijk meer te vinden, op 19 juni 1972 de hand van Juliana op een gala te Versailles. Haar dochter Alexia was het kind van Bernhard. Het plaatsingstarief voor de twee Spaarnestadfoto’s bedroeg 12,50 gulden per stuk, de galafoto iets meer. Dag Willem Oltmans. Willem Oltmans was boos. Dat vond ik ook weer een beetje zielig. Ter genoegdoening mocht de zakenman-journalist enige tijd tegen een fors tarief de groten der aarden voor Nieuwe Revu interviewen. Dat liep al snel uit op tamelijk onleesbare stukken met de onder-ondersecretaris van de tweede secretaris van een ver land of vage internationale organisatie, die echter volgens Oltmans achter de schermen de touwtjes in handen had en dus in feite de werkelijke wereldleider was. Oltmans kende inderdaad heel veel internationale bonzen, hij was ook niet te beroerd om politieke adviezen aan Soekarno te geven (en later lief te zijn voor zijn weduwe), zich ongevraagd te mengen in internationale aangelegenheden, of zich als intimus van Bouterse op te werpen. Het was niet dat Oltmans voor karretjes werd gespannen, hij spande zich zelf voor karretjes die hem een beetje duwden. Dat maakte zijn handelwijze af en toe tamelijk dubieus, maar hij bleef daarbij toch ook een kleurrijk fenomeen.

HYPOCRIETE TOON

Maar hoe nu die foto’s te plaatsen? Ik durfde niet ijskoud te zeggen: dit is haar! Valse truc weer. Als een Engelse tabloid de foto zou plaatsen, konden wij publiceren onder de smoes: Kijk nu toch eens wat de Engelse pers over onze prins beweert! Ik speelde gegevens en foto’s via een Londense fotograaf door aan de Daily Express. Vrijdag 27 februari was het de opening van de krant. De zondagsbladen kwamen er nog overheen, en grote mazzel, door een staking op Heathrow, kwamen ze te laat aan op Schiphol voor distributie naar de kiosken en de krantenredacties. Van Gelderen Import zei dat ik ze zelf wel mocht ophalen, omdat ze niet meer gedistribueerd konden worden was het nu toch oud-papier. Ook Wim Klinkenberg was weer, als enige andere Nederlandse journalist op weg naar de luchthaven, we stonden samen in de container te zoeken. Maandag had alleen de Telegraaf via de nijvere Londense correspondent, de foto en het bericht, met ongeveer dezelfde hypocriete toon als Nieuwe Revu  dinsdag in de kiosk had: ‘Kijk nu toch eens…het zal toch niet waar zijn?’ Ik heb me in die tijd afgevraagd hoe het mogelijk was dat de Nederlandse journalistiek de eerste weken, maanden zelfs, zo traag reageerde. En hoe kranten in de jaren daarna aan geschiedvervalsing deden door achteraf te beweren dat ze de Lockheed-affaire zo goed en gedegen hadden aangepakt. Ik las zelfs een keer een necrologie van een collega waarin hij geroemd werd omdat hij als eerste, enkele uren voordat het rapport in de winkels lag, reeds het Donnerrapport in zijn bezit had. Ja, dan heb je een corruptieschandaal natuurlijk heel goed behandeld, als je het van overheidsrapporten moet hebben.

 

TANKERS VOOR DE SJAH

Over Bernhards zakelijke escapades is niet veel meer bekend geworden dan de Lockheedaffaire, terwijl aangenomen mag worden, en veel Bernhard kenners vermoeden zulks ook met grote mate van zekerheid, dat de prins wel meer met zijn handen in illegale kassa’s heeft gezeten. Na Lockheed kreeg ik een tip die er als zeer betrouwbaar uitzag, maar die de tipgever alleen van horen zeggen had en waarvoor hij geen snipper papieren bewijs had of te pakken kon krijgen. Bernhard zou commissiegelden hebben opgestreken bij de orders voor de sjah van Perzië die scheepsbouwer Verolme had binnengesleept. Twee tankers had Verolme gebouwd: de Mohammed Reza I en de Mohammed Reza II. (De sjah heette Mohammed Reza, zijn zoon kreeg ook de naam Reza.) Bernhard was goed bevriend met de sjah. Die commissie zou via een verzekeringsconstructie hebben gelopen. Een deel van de opgehoogde verzekeringspremie voor beide olietankers zou weggesluisd zijn naar Bernhard. Dat van Verolme en de twee tankers voor de sjah, klopte. En ook dat ze via het agentschap van een Rotterdams kantoor verzekerd waren geweest. De sjah was uit Perzië verdwenen. Ik kreeg een keurige brief terug uit Iran dat na zijn bewind geen documenten over de aankoop en verzekering van de tankers bewaard waren gebleven, dan wel gevonden konden worden. Er bleef mij nog een mogelijke bron over, de man die als liason tussen de assuradeur en de prins zou hebben gefunctioneerd. Hij was al oud en woonde in Zwitserland. Ik vond hem en belde voor een afspraak. Ik kreeg zijn verpleegster aan de lijn. Een bezoek uit Nederland omtrent de geschiedenis van de Rotterdamse scheepsbouw (ik had uiteraard een vage smoes verzonnen) zou de heer X zeker op prijs stellen. Maar ik moest me erop voorbereiden dat ik mij van zo’n gesprek niet te veel moest voorstellen. Hij zou zich iets kunnen herinneren. Ik begreep dat de man in een laatste stadium van dementie verkeerde. Ik heb de trip naar Zwitserland niet gemaakt.

Het gekke was, de buitenechtelijke relatie van Bernhard waaruit zijn bastaarddochter stamde, (er zou er later nog een bijkomen) gaf destijds niet eens veel opschudding. Het leek wel of alles snel vergeten was. Het zou jaren duren voor Story of Privé, daar wil ik vanaf wezen, ineens groot met het ‘nieuws’ kwam dat de kroonprins een kind had bij Alexia, alias Poupette Grinda. Het werd gebracht als een exclusieve onthulling. En een jaar of wat geleden werd alles wéér opgerakeld alsof het groot nieuws betrof. De journalistiek mag dan de geschiedschrijving van het nu genoemd worden, het verleden is snel vergeten.

 

Ton van Dijk (1943-2021) is auteur van het bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar  verschenen ‘Sterke verhalen: journalist Ton van Dijk over de kneepjes van zijn vak’, waaraan bovenstaande is ontleend. Dit verhaal werd eerder gepubliceerd in weekblad De Republikein in de uitgave van september 2016.